Stopzetten tweede spoor vlak voor einde wachttijd leidt ten onrechte tot opleggen loonsanctie door UWV

 

Centrale Raad van Beroep 21 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:623

 

Loonsanctie ten onrechte opgelegd nu de re-integratie-activiteiten tweede spoor die wel hebben plaatsgevonden niet zijn beoordeeld maar slechts een geïsoleerd standpunt is ingenomen over het stopzetten van de inspanningen vlak voor indiening van de WIA-aanvraag.  

 

In deze kwestie gaat het om een werkneemster die op 2 februari 2014 is uitgevallen met psychische klachten. Er hebben zowel re-integratie-activiteiten in het eerste als in het tweede spoor plaatsgevonden. Nadat werkneemster op 9 november 2015 een WIA-uitkering aanvraagt, wordt door UWV bij besluit van 17 december 2015 aan werkgever een loonsanctie van 52 weken opgelegd, omdat volgens UWV de re-integratie-inspanningen van werkgever onvoldoende zijn geweest en voor dat verzuim een deugdelijke grond ontbreekt. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn ongegrond verklaard.

 

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) oordeelt uiteindelijk dat de loonsanctie door UWV ten onrechte is opgelegd. De re-integratie-inspanningen in het eerste spoor staan niet ter discussie. Alleen de re-integratie-activiteiten in het tweede spoor. De CRvB constateert dat tussen maart 2015 en juli 2015 diverse re-integratie activiteiten hebben plaatsgevonden die geen concrete resultaten hebben opgeleverd. Uit de rapporten van de arbeidsdeskundigen blijkt niet dat deze activiteiten zijn beoordeeld en blijkt dus ook niet of deze in de visie van UWV, tot dan toe, toereikend waren. Wel is door UWV geconcludeerd dat de activiteiten ten onrechte 8 dagen voor de indiening van de WIA-aanvraag zijn gestaakt en dat daarmee mogelijk re-integratiekansen zijn gemist. De CRvB oordeelt dat die conclusie niet valt te rijmen met het ontbreken van een oordeel over de tot aan die staking verrichte activiteiten. Mogelijk waren de tot dan toe verrichte activiteiten het maximaal haalbare en was er op het moment van het staken van de inspanningen gezien de toenmalige medische situatie van werkneemster, geen uitzicht meer op een concreet resultaat. In dat geval kan volgens de CRvB niet worden gezegd dat er in het relatief late stadium waarin de re-integratie-inspanningen zijn stopgezet, nog kansen zijn gemist. Nu dit alles niet door UWV is beoordeeld, maar slechts een geïsoleerd standpunt is ingenomen over het stopzetten van de inspanningen vlak voor de indiening van de WIA-aanvraag, moet worden vastgesteld dat het besluit niet deugdelijk is gemotiveerd door UWV. De CRvB oordeelt dan ook dat UWV de loonsanctie onterecht heeft opgelegd aan werkgever. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak vernietigd wordt, evenals het bestreden besluit. Het besluit waarbij de loonsanctie is opgelegd, wordt herroepen.

 

Voor de gehele uitspraak zie: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CRVB:2019:623

 
Heeft u een arbeidsrechtelijke vraag? Neem contact op voor een gratis kennismakingsgesprek via +31 6 46 00 89 98 of kim@kvbadvocatuur.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *